Het
opeten van het ene dier door het andere noemen wij predatie. Bij
weidevogelbescherming gaat het om predatie van eieren, broedende vogels
en pullen. Bij predatoren kennen wij specialisten en generalisten. De
specialist kan slechts enkele voedselbronnen benutten en is daarvan
volledig afhankelijk. Een generalist heeft een groot aantal
voedselbronnen en kan daartussen zonodig omschakelen. Predatoren als de
zwarte kraai en de vos zijn echte generalisten. Bij gebrek aan hun
belangrijkste prooi schakelen ze over op andere voedselbronnen,
bijvoorbeeld eieren.
Vos
De
vos is vooral nachtactief. De rekel (mannetje) verdedigt een
territorium waar meestal een, soms meer vrouwtjes (moeren) leven. Er is
één worp per jaar in de periode maart-mei. Vooral mannetjes zwerven na
hun geboorte over grote afstanden op zoek naar een nieuw leefgebied. De
vos is een voedselopportunist en eet wat hem voor de bek komt, ook
insecten en vruchten. Konijnen en (woel)muizen vormen het
stapelvoedsel, maar bij gebrek daaraan ook andere prooien, zoals eieren
en broedende akker- en weidevogels. De vos maakt bij het opsporen van
een prooi onder andere gebruik van een goed ontwikkeld reukvermogen en
volgt soms loopsporen. Daarom is het belangrijk om onnodig nestbezoek
te vermijden. De vos eet een ei soms ter plekke op, maar neemt het
meestal mee om het elders te verorberen. Bij het in het bek nemen legt
hij de kop plat en verstoort zo vaak de nestkom. Tevens markeert de vos
soms een gepredeerd nest met sterk geurende urine. Eieren en
prooiresten begraaft hij vaak in de buurt. Resten van door vossen
opgegeten vogels zijn te herkennen aan de afgebeten veerschachten
(schachtpunt ontbreekt). Wanneer in één nacht veel legsels verdwijnen,
is de oorzaak mogelijk een vos.
Wezel, hermelijn en bunzing
De
wezel is dag- en nachtactief. De meeste jongen worden in mei geboren.
Soms is er een tweede worp. De wezel leeft in open, vaak relatief droge
gebieden, deels ondergronds. Het dier speurt, staande op de
achterpoten, de omgeving af (dit wordt kegelen genoemd); andere
marterachtigen doen dat ook. Een wezel kan door het kleine formaat
moeiteloos muizenholen in. Het voedsel bestaat dan ook vooral uit
muizen.
Ook de hermelijn is dag- en nachtactief. Er is één worp in de periode april-mei. De hermelijn komt vaak in nattere gebieden voor dan de wezel. Bij het zoeken naar voedsel volgt het dier de dekking van o.a. heggen, muurtjes, oevers en rietzomen en speurt ieder holletje, nisje of andere hoekjes na. Op het menu staan vooral woelmuizen en -ratten, maar ook konijnen, vogels en eieren.
De bunzing is vooral schemer- en nachtactief. De werpperiode is april - juni. Soms, bij verlies van de jongen, is er een tweede worp aan het eind van de zomer. Het dier heeft geen voorkeur voor een bepaald leefgebied, mits er voldoende dekking aanwezig is zoals houtopstanden, rietkragen en ruige stroken. Het scala prooidieren is breed: konijn, haas, bruine en zwarte rat, woelrat, muskusrat, muizen, vogels en eieren, kikkers en padden. Vraatsporen zijn nauwelijks te vinden. Deze marters verrassen vogels 's nachts op het nest. Vogelkadavers met kaalgevreten nek worden vaak aan hermelijn (of wezel) toegeschreven. Marters bijten eieren aan een pool of de zijkant open. De eieren blijven vaak in de buurt van het nest achter, behalve bij de bunzing die ze meestal meeneemt naar een rustplek.
Ook de hermelijn is dag- en nachtactief. Er is één worp in de periode april-mei. De hermelijn komt vaak in nattere gebieden voor dan de wezel. Bij het zoeken naar voedsel volgt het dier de dekking van o.a. heggen, muurtjes, oevers en rietzomen en speurt ieder holletje, nisje of andere hoekjes na. Op het menu staan vooral woelmuizen en -ratten, maar ook konijnen, vogels en eieren.
De bunzing is vooral schemer- en nachtactief. De werpperiode is april - juni. Soms, bij verlies van de jongen, is er een tweede worp aan het eind van de zomer. Het dier heeft geen voorkeur voor een bepaald leefgebied, mits er voldoende dekking aanwezig is zoals houtopstanden, rietkragen en ruige stroken. Het scala prooidieren is breed: konijn, haas, bruine en zwarte rat, woelrat, muskusrat, muizen, vogels en eieren, kikkers en padden. Vraatsporen zijn nauwelijks te vinden. Deze marters verrassen vogels 's nachts op het nest. Vogelkadavers met kaalgevreten nek worden vaak aan hermelijn (of wezel) toegeschreven. Marters bijten eieren aan een pool of de zijkant open. De eieren blijven vaak in de buurt van het nest achter, behalve bij de bunzing die ze meestal meeneemt naar een rustplek.
Zwarte kraai
Zwarte kraaien zijn sterk
territoriaal en verdedigen hun gebied tegen soortgenoten. Buiten
bezette territoria komen groepen voor van enkele tientallen onvolwassen
niet broedende zwarte kraaien (zogenaamde sozen). Bij het verdwijnen
van een territoriaal broedpaar wordt hun plaats snel ingenomen door
dergelijke vogels. De zwarte kraai vindt een weidevogelnest op het
gezicht. De vogel zal eenmaal gevonden nest, indien mogelijk, geheel
prederen. De zwarte kraai keert steeds terug om een volgend ei mee te
nemen en te verorberen. Wanneer, bij voldoende afweergedrag, de
weidevogels een zwarte kraai weten te verjagen, moet deze het nest
wederom op het oog opsporen. Een kraai is intelligent en oriënteert
zich soms op de aanwezigheid van merkstokken en nestbeschermers voor
het opsporen van nesten. Een zwarte kraai is in staat een geheel ei in
de snavel te nemen. Meestal vliegt de vogel ermee weg om het elders op
zijn gemak te verorberen. Door kraaien gepredeerde eieren zijn vaak te
herkennen aan bloed- en dooierresten aan de binnenkant van de schaal.
Meeuwen
Meeuwen
zijn bij uitstek koloniebroeders. Meeuwen (bijvoorbeeld kokmeeuw,
zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw) eten zowat alles wat voor de snavel
komt. Van alle soorten is bekend dat ze in meer of mindere mate eieren
en kuikens van weidevogels eten, maar met name de zilvermeeuw staat er
om bekend. Meeuwen nemen de eieren vaak niet mee. Er zijn meestal
stukgehakte eieren in en direct rond de nestkom te vinden.
Havik, Torenvalk en andere dagjagers
Geen
van deze (of andere) dagjagers prederen gericht op eieren. De bruine
kiekendief zal, indien mogelijk, weidevogelpullen pakken, maar zelden
oudervogels. Hetzelfde geldt voor de buizerd die daarvoor te log is. De
torenvalk zal, naast de gebruikelijke prooi, vrijwel alleen
weidevogelpullen slaan. De havik daarentegen is wel in staat
oudervogels te slaan en pakt nauwelijks pullen. Geslagen pullen en
oudervogels eten deze dagroofvogels vaak op een rustige plaats op.
Plukresten van een roofvogel kan men herkennen aan het feit dat deze de
veren van zijn prooi geheel (inclusief de schacht van de veer) uittrekt
en niet afbijt, zoals vossen en andere zoogdieren doen.
Andere predatoren
Er
zijn meer dieren die eieren, pullen of broedende weidevogels
verschalken. De egel zal de kans om een ei of pul te nuttigen niet
voorbij laten gaan. Dat geldt bij weidevogelpullen ook voor veld- en
ransuil. Ook honden en katten beïnvloeden weidevogels. Meestal gaat het
om dieren die rondom woonwijken zwerven of worden uitgelaten. Predatie
door deze dieren is, behalve bij in kolonies broedende vogels zolas
Kluten en Visdiefjes nauwelijks van belang. Verstoring door hun
aanwezigheid heeft waarschijnlijk meer invloed. Reigers en ooievaars
eten alles wat voor snavel komt. Beide zullen dan ook weidevogelpullen
pakken wanneer dat zo uitkomt.
(bron: Landschap Noord-Holland)






