Het ontstaan

In een aantal opzichten wijkt het landgoed Marquette sterk af van de overige binnenduinrand-landgoederen in Kennemerland. Dit heeft dezelfde oorzaak als het afwijkende karakter van het Noordhollands Duinreservaat ten opzichte van de overige jonge kustduinen van ons land, namelijk het ontstaan als onderdeel van een groot voormalig zeegat: het estuarium van het Oer Y. Hierdoor heeft de plaats waar thans het landgoed is gelegen tot aan de definitieve bedijking  in de elfde tot de veertiende eeuw bij tussenpozen onder invloed gestaan van de zee. De sedimenten zijn daardoor kleiig en kalkrijk, terwijl hier en daar sprake is van een duidelijke zout-invloed aan het maaiveld. Het eigenlijke huis, vroeger bekend als het “Huis te Heemskerk”, is als een echte burcht strategisch gelegen op een hoge oeverwal die door een voormalige diepe en brede zee-erosiegeul van het vasteland van de grote strandwal van Heemskerk was gescheiden. De huidige oprijlaan vormt de kortste verbinding tussen de oeverwal waarop het kasteel is gelegen en de strandwal van Heemskerk. De hoofdas van het landgoed is dus voor dit geologische gegeven bepaald. Het is verder gebouwd op het zuidwestelijke uiteinde van de oeverwal, met het front naar de Heemskerkse strandwal gericht. Door de noordwest – zuidoost richting van de oeverwal en de aan beiden zijden flankerende erosiegeulen is de andere hoofdas van het landgoed bepaald.

Een ander gevolg van het feit dat het landschap gevormd is in een binnendelta van een zeegat is het voorkomen van aanmerkelijke hoogteverschillen op korte afstand. Doordat in de laatste periode voor de bedijking van het landschap de erosieve werking van de zee overheerste, is dit beeld van een erosielandschap gefixeerd. De hoogteverschillen zijn in de graslanden rondom het kasteel goed zichtbaar. Deze zijn veroorzaakt door de afwisseling van oeverwallen en erosiegeulen. De kleiige sedimenten sedimenten waren moeilijker weg te spoelen dan de zandige. Op sommige plaatsen zijn deze overgebleven kleibanken te herkennen als de hoogste plekken in het landschap. Op veel plaatsen ontstonden langgerekte, kronkelende erosiegeulen, de zogenaamde “dellen”. In de laagste delen moeten ook permanent waterhoudende meertjes voorgekomen zijn. Toponiemen als “De Grote Vogelmeer” en de “Kleine Vogelmeer” duiden hierop. Hier zijn nu de natte graslanden gelegen, die men door een wirwar van greppels heeft getracht te ontwateren. Voor de Tweede Wereldoorlog waren deze dellen in het voorjaar herkenbaar als gele kronkelende linten in het polderlandschap tussen Uitgeest, Heemskerk en Castricum. De gele kleur werd veroorzaakt door de vegetatie waarin de Dotterbloem overheerste. Deze drassige percelen, waar naast Dotters ook het “blauwgras” (een verzameling grijs-blauw gekleurde zeggesoorten) groeide, waren alleen geschikt als hooiland. Buiten de natuurgebieden zijn tegenwoordig deze percelen door drainering en overbemesting even groen als de overige weilanden.

De begroeiing van het landgoed weerspiegelt de geologische opbouw: op de centrale, zanderige oeverwal bevindt zich het bos, terwijl beide voormalige kleiige erosiegeulen weilanden zijn. Hierdoor is de eens strategisch zo belangrijke oeverwal ook nu nog van verre zichtbaar als een markante plaats in het landschap. De “Overbossen” bevinden zich aan de overkant van de zuidelijke erosiegeul op de droge Heemskerkse strandwal. Een tweetal duinbeken stroomt door het landschap. De Noorddorperbeek, de oudste en belangrijkste van de twee, ontwaterde de aangrenzende duinen en in latere tijd ook de duinontginning bij de Vlotter in het door afstroming permanent natte westelijke gedeelte van de strandwal (de Caeg). De Bollanderbeek ontwatert het noordoostelijke gedeelte van de Heemskerkse strandwal. Deze loopt in een rechte lijn dwars door de Overbossen en komt bij het begin van de oprijlaan op het eigenlijke landgoed uit. Het hoogteverschil tussen de strandwal en de zuidelijke erosiegeul bedraagt hier over korte afstand zo’n 1,20 m. Dit verschil wordt met behulp van vier stuwen overbrugd. Op het noordwestelijke deel van de centrale oeverwal vloeien beide beken samen om via de noordelijke erosiegeul hun weg naar het oosten volgen.